De misverstanden
Hoewel grote rampen vaak uitgebreid in het nieuws komen, blijven er nog misverstanden over noodhulp bestaan. We zetten de meest hardnekkige hier op een rijtje...
Ten eerste: na een ramp moet meteen medisch en reddingspersoneel worden uitgestuurd
De eerste reflex van de internationale gemeenschap bij een ramp is om zo snel mogelijk hulp te sturen naar het getroffen land. Toch is een kritische blik nodig, want niet alle hulp is welkom na een ramp. Het sturen van buitenlandse medische teams kan zelfs bijdragen tot de chaos ter plaatse. Het is beter te wachten totdat het getroffen land zelf de dringendste noden heeft opgelijst. De lokale gemeenschap neemt over het algemeen de eerste levensreddende taken op zich.
De aardbeving in het Iraanse Bam in 2003 verwoeste 85% van de stad, maakte meer dan 26000 doden en wel 30000 gewonden. De plaatselijke Iraanse Rode Halve Maanvereniging was binnen een paar minuten ter plaatse, ondanks het feit dat ze vier teamleden verloren waren tijdens de aardbeving én het hoofdkwartier ingestort was. Ze konden 157 levens redden met de hulp van maar 10 honden.
De internationale hulpteams uit maar liefst 27 landen arriveerden twee dagen later. Hoewel ze reddingshonden en –apparatuur mee genomen hadden, konden ze slechts 22 levens redden. Een Europees reddingsteam met vijf bijhorende honden kost op verplaatsing bijna 50.000 dollar per week. Met dat geld kunnen in Iran drie reddingshonden met hun begeleiders opgeleid worden.
Onmiddellijk na de tsunami in december 2004, stuurde men chirurgen uit alle delen van de wereld naar Banda Aceh in Indonesië. Daar ontdekten ze dat maar weinig overlevenden gewond waren, zodat er nauwelijks werk voor hen was.
Mythe 2: na een ramp moet zo snel mogelijk materiaal en voeding ter plaatse komen.
Na een ramp beginnen mensen vaak goederen en voeding in te zamelen voor de slachtoffers. Dit is af te raden omwille van verschillende redenen. Ten eerste zijn de verzamelde hulppakketten niet afgestemd op de culturele gewoontes van het land. De slachtoffers eten misschien liever maïspannenkoeken in plaats van spaghetti. Zo moeten we bijvoorbeeld ook letten op culturele verschillen in kledij,...
Daarnaast is de verscheping van het ingezamelde best duur – geld dat beter ter plaatse was uitgegeven, zodat de lokale economie erdoor gesteund wordt.
Om duidelijke redenen sturen landen ook beter geen medicijnen: vaak heet een medicijn anders in het getroffen land, of zijn andere middelen te gebruiken (bijv.: antibiotica), meestal zijn de bijsluiters onleesbaar en soms stuurt men vervallen medicijnen.
Het sturen van materiaal is alleen zinvol als dit op vraag van de getroffen gemeenschap gebeurt.
Na de tsunami in 2004 stuurde de Indische bevolking bergen tweedehandskleding naar Zuid-India. Maar de getroffen vissersfamilies, voor wie de kleren bedoeld waren, weigerden ze. Hoewel deze mensen erg arm waren, waren ze ook te trots om de kleding aan te nemen. De kledij werd naast de wegen gedumpt en overheidswerkers werden van hun werk op de rampsites gehaald om de kleren te verwijderen. De kleding vormde ook een bedreiging voor het vee dat het probeerde op te eten.
Mythe 3: rampen doden willekeurig
Arme en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen lopen een groter risico getroffen te worden door een ramp dan rijke bevolkingsgroepen en de middenklasse. Arme mensen wonen op plaatsen waar vaker rampen voorkomen of waar rampen een groter impact hebben, bijvoorbeeld aan de voet van een vulkaan of in overstromingsgebied, omdat het daar goedkoper wonen is. Daarnaast zijn hun woningen vaker uit slecht bouwmateriaal opgetrokken en ontbreekt in hun woonplaatsen vaak deftige infrastructuur zoals goede (vlucht)wegen of schuilplaatsen. Ze zijn vaak veel minder bereikbaar via de bestaande waarschuwingssystemen via radio’s.
Zo eiste een aardbeving in Californië, met een kracht van 6,4 op de schaal van Richter, 85 doden. Een jaar eerder vielen er 6000 doden toen de aarde met een kracht van 6,2 op de schaal van Richter beefde in Nicaragua.
Ook tijdens een ramp kunnen bepaalde bevolkingsgroepen erger getroffen worden dan anderen. Wie gediscrimineerd of gemarginaliseerd wordt, heeft minder kans om een ramp te overleven. Sommige mensen worden gediscrimineerd tijdens humanitaire noodsituaties omwille van hun ras, geslacht, leeftijd, religie, nationaliteit, klasse of fysieke conditie.
Mythe 4: slachtoffers wachten apathisch op hulp
Slachtoffers wachten niet passief en apathisch op hulp van buitenaf. Mensen helpen hun buren onder het puin uit te komen, verzorgen de gewonden, proberen families te herenigen… Zij starten snel met reconstructie en herstel.Grofweg gezien draagt buitenlandse hulp niet meer dan 40% van de totale last van rampen in de ontwikkelingswereld. De rest van de hulp gebeurt door de inwoners van het getroffen land zelf.
Mythe 5: rampen maken het slechtste in de mens los
Plunderingen zijn een zeldzaam en beperkt probleem. Ze komen meestal voor op plaatsen waar er voor de ramp ook al veel criminaliteit heerste. Rampen maken niet het slechtste in een mens los, het is zelfs eerder omgekeerd! Overal ter wereld komt na een ramp de solidariteit tussen de getroffenen boven. Mensen helpen elkaar zoeken naar overlevenden, proberen de gewonden op te vangen en te verzorgen. Studies tonen dat de criminaliteit na een ramp minder is dan in 'normale' omstandigheden. Nochtans zijn dit de beelden die onder de aandacht van het grote publiek worden gebracht.
Mythe 6: epidemieën zijn onvermijdelijk
Na een ramp wil de overheid zo snel mogelijk de lichamen begraven uit angst voor de uitbraak van epidemieën. Toch is het een mythe dat deze lijken een onmiddellijk gevaar voor de volksgezondheid opleveren. Ziekten overleven niet in dode lichamen. Daarbij was gewoonlijk meer dan 99% van de overledenen bij een ramp bij leven in goede gezondheid en bevatten ze dus niet eens ziektekiemen. Overlevenden die geïnfecteerd zijn vormen een veel groter risico.
De lijken zijn natuurlijk geen fraai zicht en vaak verspreiden ze een erge stank, maar vormen op zich geen infectiegevaar. Ziektes zoals cholera en diarree kunnen alleen verspreid worden als ze voordien al aanwezig waren of als de overlevenden vervuild water te drinken krijgen.
Mythe 7: massahonger is onvermijdelijk
Het inzamelen en versturen van voedsel is vaak onnodig en duur. Voeding is gewoonlijk wel beschikbaar in het getroffen land, alleen is het vaak niet toegankelijk. Het volstaat als hulporganisatie om het voedsel toegankelijk te maken onder de getroffen bevolking. Daarbij wordt de lokale economie gesteund. Het grootste probleem na een ramp is bijna altijd veilig drinkwater. Vuil water brengt tal van ziektes met zich mee.
Mythe 8: na een ramp tijdelijke behuizing oprichten voor de slachtoffers
De tsunami in 2004 toonde aan dat de meeste overlevenden onderdak vonden bij gastfamilies. Slechts weinigen hadden nood aan tentenkampen.
Het oprichten van tijdelijke behuizingen zou dan net vermeden moeten worden. Het is slechts bruikbaar als laatste alternatief. Overheid en hulporganisaties moeten het onderdak zoeken bij vrienden en familie aanmoedigen.
Het geld dat geïnvesteerd wordt in tijdelijke behuizing kon beter gespendeerd worden aan bouwmaterialen, werktuigen,… Kortom aan de heropbouw van het getroffen land. Wanneer natuurlijk huisvesting op langere termijn een probleem blijkt, moet hiervoor natuurlijk wel een oplossing worden geboden.
Mythe 9: na een paar weken is alles weer normaal
Wanneer de media-aandacht verslapt, droogt ook de geldstroom op.
Toch is net de heropbouw van een land na een ramp cruciaal. Het geeft de slachtoffers een kans om hun leven weer op te pakken – of hun levensomstandigheden zelfs te verbeteren.
